Nederland is verdeeld in twaalf provincies. Een provincie vormt de bestuurslaag tussen de landelijke overheid en de gemeenten. Hoewel veel mensen een provincie vooral kennen vanwege de plaats waar ze wonen, speelt het provinciebestuur een belangrijke rol bij onderwerpen die gemeentegrenzen overstijgen. Denk bijvoorbeeld aan natuurbeheer, bereikbaarheid, ruimtelijke ontwikkeling, regionale economie en de inrichting van het landschap.
Iedere Nederlandse provincie heeft een eigen karakter. Dat verschil is niet alleen zichtbaar in het landschap, maar ook in cultuur, dialecten, steden en economische activiteiten. Zo wordt Zeeland sterk gekenmerkt door water en kustgebieden, terwijl Limburg bekendstaat om zijn heuvelachtige landschap. Flevoland is relatief jong en grotendeels ontstaan door inpoldering, terwijl provincies als Utrecht en Gelderland een lange geschiedenis kennen met historische steden en landgoederen.
Aan het hoofd van een provincie staan de Provinciale Staten, waarvan de leden door inwoners worden gekozen. Het dagelijks bestuur wordt gevormd door de Gedeputeerde Staten. Daarnaast heeft iedere provincie een commissaris van de Koning. Provincies nemen besluiten over onderwerpen die voor een groter gebied van belang zijn en werken daarbij veel samen met gemeenten, waterschappen, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Voor inwoners en bezoekers zijn provincies vooral een handige manier om Nederland geografisch in te delen. Wie een provincie beter leert kennen, ontdekt vaak grote verschillen binnen een relatief klein gebied. Steden, dorpen, natuurgebieden en recreatiemogelijkheden liggen meestal dicht bij elkaar.
De twaalf provincies zijn Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Groningen, Limburg, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland. Samen vormen zij een gevarieerd Nederland waarin iedere regio zijn eigen landschap, geschiedenis en mogelijkheden heeft.